Ma Jiangbao

De plaats van de oorspronkelijke Wu-stijl in de geschiedenis van het tai chi chuan:

De families Yang en Wu.

Sprekend over tai chi chuan varianten wordt doorgaans melding gemaakt van een aantal zogezegd "erkende" stijlen. Genoemd worden dan meestal Yang-stijl, Wu-stijl en Chen-stijl als zijnde de drie meest in het oog springende. Daarnaast worden i.h.a. ook nog de Sun-stijl en de How-stijl als aparte uitwerkingen beschouwd. De bijna verplichte kanttekeningen bij deze opsomming zijn steevast, dat de Chen-stijl de oudste, meest oorspronkelijke en tevens minst beoefende is. Wel zou die stijl als vertrekpunt hebben gefungeerd voor alle andere varianten van het moderne tai chi chuan. Dit is ongetwijfeld juist, in zoverre als alle andere, ook de meer populaire stijlen, terug te voeren zijn op Yang Lu-Chan. Deze leerde op zijn beurt zijn tai chi chuan gedurende een langjarige leertijd van de Chen-familie.*

Yang Lu-Chan leerde de kunst van Chen Chang-Hsing. Deze kende het "familie-geheim" en was in beginsel bereid het door te geven aan wie voldoende aanleg, interesse en doorzettingsvermogen had om zich intens uit te sloven. Na 18 jaar van leven en studeren in het Chen-dorp was Yang Lu-Chan eindelijk zover: niemand, maar dan ook niemand zou hem meer kunnen "aanraken". Dat was althans de stellige mening van Chen Chang-Hsing, nadat hij zich in een laatste periode van zes jaar persoonlijk over Yang Lu-Chan had ontfermd, overtuigd door diens inzet en mogelijkheden. Yang Lu-Chan belichaamde vanaf dat moment het "familie-geheim"; hij was uiteindelijk "familie" geworden.

Met hem begon vervolgens de verspreiding van deze kunst, die in onze dagen een hoge vlucht neemt. Zo hoog, dat de chinezen op dit moment proberen tai chi chuan op de Olympische agenda te krijgen. Bijna altijd maakt men er ook melding van dat de Yang-stijl -die in al zijn varianten met Yang Lu-Chan begint- thans de meest populaire is, op een goede tweede plaats gevolgd door de Wu-stijl. Om misverstanden te voorkomen moet hier verduidelijkt worden over welke "Wu-stijl" het dan gaat. Immers er zijn twee nogal verschillend ogende uitwerkingen van het tai chi chuan die beiden met de term "Wu-stijl" worden aangeduid. Elk heeft zijn eigen ontstaansgeschiedenis. De ene begint bij Wu Yu- Hsing (1812-1880), een leerling van Yang Lu-Chan. Met de naam van deze Wu is blijvend verbonden de vondst in een zoutwinkel van het manuscript van Wang Tsung- Yueh's "de klassieken van tai chi chuan". Dit werk fungeert ook thans nog als toetssteen voor wat al dan niet correct tai chi chuan is.

De variant die hij ontwikkelde wordt ook thans nog, zij het op beperkte schaal, beoefend. Afgeleide versies, met name Sun- en How-stijl, zijn evenmin tot nog toe echt "doorgebroken".

Het zich zeer intensief met de oude martiale kunsten bezig houden was, behalve aan militairen, in de vorige eeuw voornamelijk voorbehouden aan mensen die genoeg geld en dus vrije tijd daarvoor hadden.

Wu Yu-Hsing was een typisch voorbeeld van deze rijke bovenlaag. Yang Lu- Chan's uitzonderlijke kundigheid was zo opvallend, dat hij door deze Wu werd uitgenodigd. Via de nodige connecties werd hij vervolgens aangesteld als belangrijk martiaal-instructeur van wat er aan edellieden, officieren en ander belangrijk volk in en rond de keizerlijke hofhouding rond hing.

De stamvader van de andere, thans meer beoefende "Wu-stijl", is een Manchu-kapitein van de keizerlijke garde met de naam Chuan Yuo (1832-1902). Deze was eveneens een leerling van Yang Lu-Chan. Zijn naam wordt meestal in één adem genoemd met twee andere meesterleerlingen van Yang Lu-Chan, te weten Wan Chun en Liu San. Men zegt, dat ieder van hen een karakteristieke vaardigheid van hun leraar meekreeg: de ene die van het "energieke", de andere die van het "offensieve" en Chuan Yuo die van het "neutraliseren". Tezamen werden ze vergeleken met resp. het spierstelsel, het bottenstelsel en de huid van het tai-chi- chuan als martiaal systeem.

In de uitgesproken klasse-maatschappij die China in die dagen nog was, mocht Yang's naam als leraar slechts rechtstreeks verbonden worden met de elitaire hofkliek waaraan hij les gaf. Een uitzondering werd daarop gemaakt voor zijn twee zonen. De drie voornoemde, met Yang Lu-Chan zeer intiem verbonden leerlingen, heetten dan ook officieel leerlingen te zijn van zijn zoon Yang Ban-Hou. Toch werden ze intensief door hemzelf genstrueerd en begeleid. Chuan Yuo was er daar dus een van. Een familie-anekdote verhaalt van een Tui-Shou training tijdens welke Chuan You oefende samen met Yang Ban- Hou. Geconfronteerd met het feit dat Chuan Yuo hem er telkens "uitduwde" deed Yang Ban-Hou zijn beklag bij zijn vader. Hij zei dat deze de "familie-geheimen" beter moest bewaren. De boodschap van Yang Lu-Chan's terechtwijzing was duidelijk: "Ook ik was ooit iemand van buiten de familie, die de familie-geheimen door goed en hard te studeren verdiende". De van Chuan Yuo afstammende tai chi chuan-stijl wordt pas een generatie later met de naam 'Wu" verbonden door zijn zoon Wu Chian-Chuan. Deze voerde een familie-naamsverandering door, uitgaande van de Chinese uitspraak van hun Manchu-familienaam. Wu Chian-Chuan, die binnen de familie als eigenlijke stichter van de Wu-stijl als zodanig wordt beschouwd,(1870-1942), ontwikkelde zich tot een van de meest vermaarde tai chi chuan-meesters van zijn tijd. Hij werd vanaf zeer jeugdige leeftijd door zijn vader opgeleid en oefende tevens met Yang Lu-Chan's zonen Yang Chien-How en Yang Ban-Hou. De beide families waren zeer eng met elkaar verbonden geraakt, zodat het samen oefenen een doodgewone zaak was. De zonen van Yang Chien-Hou, (Yang Cheng-Fu en Yang Shao-Hao), waren op hun beurt dan ook kind aan huis bij Wu Chian-Chuan in de periode dat deze in Peking woonde. In de begindagen van de Chinese Republiek namelijk, richtte Xi Yui-Seng, een volgeling van de Yang-familie, het "Instituut voor Atletisch Onderzoek" op in Peking en nodigde vervolgens Yang Shao-Hao, Yang Cheng-Fu, Sun Lu-Tang en Wu Chian-Chuan uit om daarbinnen het tai chi chuan-onderricht te verzorgen.

Vanaf die tijd werd het tai chi chuan ook aan het publiek onderwezen.Daarmee kwam er een einde aan de zogenaamde "gesloten deur"-strategie en kon het tai chi chuan aan zijn opmars in China en vervolgens over de wereld beginnen.

De samenwerking was heel intensief, Yang Cheng-Fu en Wu Chian-Chuan plachten wekelijks samen Tui Shou te doen. Daartoe zonderden zij zich altijd in een afgesloten ruimte af, waarna voor de buitenstaanders veelvuldig van beiden de kreet "hao hao" (goed zo! goed zo!) viel te beluisteren. Als echter Yang Shao- Hao, de oudere van de twee broers, op bezoek kwam, werd er niet geoefend, maar hooguit over tai chi chuan gesproken met Wu Chian-Chuan. deze twee grote meesters van de eerste helft van de 20 e eeuw hebben elkaars "chi" weinig of niet gevoeld. Waarom niet? Dat is moeilijk te zeggen, misschien was het niet nodig of was het wederzijds respect te groot. Zeker is wel dat Yang Shao-Hao geen voorstander was van de "de weg van geschikt maken voor het grote publiek", die Yang Cheng-Fu en Wu Chian-Chuan insloegen. Dat kan ook een rol gespeeld hebben. Het patroon van samen oefenen zetten de beide families ook in de daarop volgende generatie voort. Wu Kung-Yi, de zoon van Wu Chian-Chuan was zeer bevriend met de 30 jaar oudere Yang Shao-Hao. We kunnen gerust aannemen, en volgens sommigen was dat aan zijn vorm te zien, dat hij datgene wat hij van zijn vader leerde combineerde met Yang Shao-Hao's tai chi chuan. Yang Shao-Hao hield zich, als meester van de oude stempel uitsluitend aan de oorspronkelijke oude "snelle" vormen. Hij was -zoals gezegd- wars van het populariseren via aanpassen van de vorm zoals zijn jongere broer Yang Cheng-Fu deed, die daarmee de stichter werd van wat thans merkwaardigerwijs toch soms met "traditionele" Yang-stijl wordt aangeduid.

Naast Kung-Yi, had Wu Chian-Chuan zeker nog twee meesterleerlingen, te weten zijn dochter Wu Ying-Hwa en haar echtgenoot Ma Yueh-Liang. Beide grootmeesters zijn in de negentig jaar geworden, Wu Ying Hua stierf in 1997, Ma Yueh Liang in 1998 op 98 jarige leeftijd. Ze waren tot in hun laatste levensjaar nog steeds zeer actief en hun tai chi chuan was beter dan ooit! Jarenlang was Ma Yueh-Liang de assistent waarmee hij voor demonstratie-doeleinden stad en land afreisde.

Het blijkt dus, dat de grote meesters frequent samen oefenden en zelf trouwens het tai chi chuan ook niet in "stijlen" onderverdeelden. Het waren de leerlingen die pas later ertoe over gingen stijlen aan te duiden met de naam van hun leraar. Voor de grote meesters was en is er in feite maar één tai chi chuan!

Dat tai chi chuan bestaat in beginsel uit het gehele integrale pakket dat Yang Lu-Chan van Chen Chang-Hsing ontving. Misschien is dat thans verrijkt met de vruchten van jongere ontwikkelingen, maar het is zeker niet kleiner geworden, al helemaal niet op de manier van alsof "latere ontwikkelingen" het oorspronkelijke pakket zouden kunnen vervangen of deels zelfs overbodig maken!!

Het "oerpakket" bestaat in grote lijnen allereerst uit de "snelle" solo-vorm. Daarbij moet de term "snel" met een korrel zout worden genomen, omdat deze vorm ook langzaam kan en voor oefendoeleinden soms langzaam moet worden beoefend. De uitsluitend voor langzame beoefening ontworpen vormen moesten nog worden uitgevonden.

Daarnaast zijn er bepaalde "warming-up" en "cooling-down" oefeningen, enige sabelvormen, lans/stok-vormen, zwaardvormen en de complete Tui-Shou en Ta-Lu set (een zeer uitgebreid stelsel op zich).

Tenslotte is er een zeer gesophisticeerde gevechts-oefening waarin alles sublimeert (Lan-Cai-Hua). N.b: de waaier-vorm b.v. en het San Shou horen er nadrukkelijk níet bij; dat zijn produkten van recente ontwikkelingen.

Het familie-verband was van zeer groot belang om dit alles als integraal systeem in stand te houden en door te geven. In de derde generatie van de Yang's als tai chi chuan-familie gebeurde echter het onvermijdelijke. Yang Shao-Hao, had voor zover bekend geen meesterleerlingen: zijn karakter, instelling en leefwijze was niet erg leerling-vriendelijk. Met zijn dood ging waarschijnlijk binnen de Yang-familie de ouderwetse integrale beoefening van het totale pakket verloren. Tevens veranderde zijn broer Yang Cheng-Fu, in de dagen van het "Instituut voor Atletische Onderzoek", de oorspronkelijke snelle standaard-vorm, om die "verteerbaar" te maken voor grotere aantallen mensen. De snelle vorm als zodanig onderwees hij, voor zover bekend, niet meer. Martiale aspecten werden opgeofferd ten behoeve van een zo groot mogelijk rendement onder meer als "gezondheids"-oefening. Het resultaat was de langzame Yang-vorm zoals wij die thans kennen. De verdere ontwikkeling en vereenvoudiging van deze vorm vooral na Yang Cheng-Fu's dood heeft zowel tot popularisering geleid, als ook tot verwatering: het integrale tai chi chuan-pakket is sindsdien (nogal) verbrokkeld.

Zoals Yang Cheng-Fu, die als de aartsvader van de "moderne" Yang-stijl wordt beschouwd, het tai chi chuan naar zijn specifieke inzichten en doelstellingen modificeerde. Zo ook ging Wu Chian-Chuan herstructurerend en verrijkend te werk, echter op iets andere wijze. Hij liet het oorspronkelijke totale pakket ongewijzigd ter bestudering voor de familie en voor ieder die de moed had zich dieper in het tai chi chuan te begeven. Daarnaast ontwierp hij, eveneens uitgaande van de oorspronkelijke snelle standaard-vorm, een solo-versie die uitsluitend voor langzaam gebruik was gedacht. Doel was ook hier het bereikbaar maken van het tai chi chuan voor meer mensen, het versterken van "zachte" chi-ontwikkeling en het bevorderen van geestelijk welzijn. Net als Yang Cheng-Fu liet hij de sprongen, tempowisselingen en stampbewegingen vallen. Hij modificeerde echter zonder concessies te doen aan het martiale aspect van elk bewegingsdetail. De bewegingen werden kleiner en compacter gemaakt, zodat ze als het ware "geschreven" werden op het "lijf-aan-lijf" contact. Daarmee werden langzame solo-vorm en Tui-Shou nadrukkelijk complementair t.o.v. elkaar. Aldus sloeg hij twee vliegen in een klap.

Om misverstand te voorkomen" het effect van ruimtebesparing in de cirkelvormige bewegingen en van grotere compactheid geldt alleen in vergelijking met de snelle vorm. Ten opzichte van de langzame Yang-vorm gaat de vergelijking niet zonder meer op.

Toch lijken de bewegingen in de Wu-stijl soms compacter te zijn dan die in de Yang-stijl, o.a. doordat de ellebogen nooit bezijden de romp gehouden worden, zoals in sommige Yang-stijl-varianten wel gebruikelijk is.

Op zich zijn de (cirkelvormige) bewegingen in de langzame Wu-vorm ruimer bemeten dan de overeenkomstige bewegingen in de Yang-stijl-varianten die ik tot nog toe ben tegengekomen. (Cheng Man-Ching, W.C.C. Chen, Yang Zhenduo, Fu Sheng-Yuan, K.H. Chu, "Peking-vormen", etc.).

Dit spreekt heel duidelijk bij de "Parting-leg"-postures en bij postures zoals "White crane flaps its wings", "Jade girl works at the shuttles", "Cloud hands", "Golden cockerel stands on one leg", etc, etc.

De ruimte besparende indruk die de Wu-vorm niettemin maakt ten opzichte van de Yang-stijl wordt voornamelijk te weeg gebracht door het verschil in de methode van vooruit en achteruit stappen (b.v. "brush knee" en "repulse monkey"). De yang-stijl gebruikt daar sterke heup/rompdraaien met wijd naar achteren uithalende armbewegingen. Hier werkt de langzame Wu-vorm inderdaad ruimtebesparend: bij het voor- en achteruit stappen worden romp en hoofd-blik niet weggedraaid, maar blijven waakzaam gericht op de plaats waar de "tegenstander staat. De armen maken geen zwierige uithalen, maar starten hun aandeel in de acties vanuit de natuurlijk beschuttende functie nabij het lichaam.

Zijn de meeste cirkelvormige bewegingen in de langzame Wu-vorm al ruimer bemeten dan die in de Yang-stijl, in de snelle vorm is dat eens te meer het geval: deze vorm is ontworpen op het effectief bestrijken van een zo groot mogelijke ruimte on het lichaam heen.

Kumar Frances, vergelijkenderwijs sprekend over Chen- Yang- en Wu-stijl, zit er naar mijn mening niet ver naast, als hij veronderstelt, dat in de Chen-stijl allereerst de nadruk lag op het ontwikkelen van "harde" interne energie. Dit komt tot uitdrukking in explosieve, schokkende en draaiende technieken. De "zachte" interne energie zou moeten ontstaan nádat de "harde" zich volledig zou hebben ontwikkeld. Yang Lu- Chan, aldus Kumar Frances, sloeg een ietwat gewijzigde richting in. Daarin werd het "zachte" weliswaar nog steeds vanuit het "harde" geproduceerd, maar werd toch ook nadrukkelijk aandacht besteed aan het zo mogelijk parallel ontwikkelen van zachte interne energie.

In Yang Cheng-Fu's vorm is dat terug te vinden in de combinatie van zachte ontspannen bewegingen bij extreem lage houdingen. Wu Chian-Chuan, in het voetspoor van zijn in neutraliserende energie "gespecialiseerde" vader Chuan Yuo, zou de andere kant van het spectrum benadrukken: hij legde vooral de nadruk op het allereerst ontwikkelen van "zachte" interne energie om pas daarna naar de "harde" variant toe te groeien. (Kumar Frances: Tai- Chi magazine okt. '87 pagina 10 etc.)

Deze laatste aanpak is inderdaad nadrukkelijk herkenbaar in het Wu-stijl tai-chi-chuan zoals het van Wu Chian-Chuan afkomstig is en door diens kleinzoon Ma Yiang-Bao wordt onderricht. Dat spreekt vooral in de langzame solo-vorm, maar ook in het Tui-Shou. Het Wu-stijl Tui-Shou (pushing-hands) verlangt strikt centraal evenwicht en verbondenheid in het lichaam, innerlijke stilte en subtiliteit en zachtheid bij het beoefenen van de vele soorten met elkaar vervlochten bewegingspatronen. Bij het Tui-Shou met stappen en bij het Ta-Lu komen vooral alertheid en "kleven" tot hun recht. Tenslotte mondt alles uit in het Lan-Cai-Hua, een sparring techniek en gevechtsoefening waarin al het voorgaande (inclusief de "snelle"vorm) culmineert: de kracht ervan zegt men, is als de stroom van een grote rivier en de strategie is zo complex, dat ze nauwelijks in woorden is te vatten.

Gezien de verbrokkeling heden ten dagen van het tai-chi-chuan als systeem, is het zelfs in China thans uitermate moeilijk om een meester te vinden, die het tai chi chuan integraal heeft geleerd, en die in staat en bereid is het op die wijze aan leerlingen over te brengen. De ironie van het lot wil nu, dat wij er met onze neus boven op zitten. Ma Yiang-Bao, Wu Chian-Chuan's kleinzoon, staat midden in de Yang/Wu familie-traditie. Zijn ouders, Ma Yueh-Liang en Wu Ying-Hua, zijn thans nog levende grootmeesters, die nog altijd met niet aflatende energie de aandacht blijven vestigen op Wu Chian-Chuan's integrale tai chi chuan-systeem. Dit doen ze zowel binnen als buiten China. Ze ijveren voor een tai chi chuan dat in wezen Yang Lu-Chan's erfgoed onbeschadigd koestert, echter inclusief Wu Chian-Chuan's unieke toevoeging: de Wu-stijl langzame solo-vorm.

Ma Yiang Bao woont nu in Nederland en is bereid zijn omvattende kennis en kunde met ons te delen. Het enige wat wij hoeven te doen, is de idee te laten varen dat we alles al wisten en al zo goed bezig en op weg waren. Niets is minder waar! Tot nog toe kwamen we niet verder dan tot aan de drempel van het integrale tai chi chuan als zodanig.

Rest ons nog enige misverstanden uit de wereld te helpen, die zijn terug te voeren op onnauwkeurigheden die binnen geslopen zijn in You Tsung-Hua's boek "De Tao van Tai chi chuan" (uitgegeven door W. Weel/T.C. de Graaff. Hilversum. Omega-boek bv., Amsterdam, blz. 65). Het eerste misverstand betreft zijn suggestie dat Wu Chian-Chuan's vorm beschouwd moet worden als een variant van Yang Cheng-Fu's tai chi chuan. Dit is alleen al daarom niet correct omdat Wu Chian-Chuan allerminst een leerling van Yang Cheng-Fu was. Zoals we in het voorgaande zagen, sprekend over de familie-verhoudingen, oefenden beide mannen destijds wel geregeld samen, maar op voet van gelijkheid en in de geest van samenwerking.

Beiden ontwikkelden ze in nauw contact met elkaar hun eigen gemodificeerde vorm, elk vanuit zijn specifieke visie en beiden uitgaande van de zelfde oorspronkelijke snelle standaard-vorm. Elk bracht daarbij zijn eigen,o.a. door de onderscheidelijke familie-tradities bepaalde, visie in. Ook persoonlijke belangstelling en kunde speelden een rol in de respectievelijke vormgevingen. Zo komt het dat, ofschoon uitgaande van dezelfde basis, Yang's en Wu's langzame solo-vormen geheel verschillend "ogen". Niet onwaarschijnlijk is voorts, dat de almaar toenemende lichamelijke omvang van Yang Cheng-Fu ongewild een belangrijke vormgevende factor is geweest bij de uiteindelijke conceptualisering van zijn solo-vorm. Daarover elders meer. Tevens kunnen de daaruit voortvloeiende lichamelijke ongemakken mede een verklaring geven voor het in onbruik raken in deze Yang-stijl van de "snelle"-vorm en voor bepaalde aanpassingen in de doorgaans eveneens "snel" uitgevoerde wapenvormen. Yang's volgelingen hebben wellicht van de nood een deugd gemaakt en deze vervolgens tot norm verheven.

Een tweede argument dat tegen You's opvatting spreekt is, dat zowel Wu You-Hsing als Chuan Yuo uiteindelijk leerlingen van Yang Lu-Chan waren. Het is niet erg logisch om de tai chi chuan-lijn die met de eerste begint wél, en de lijn die met de tweede begint niet als aparte "stijl" te behandelen.

Zo men wil zou het dan logischer zijn béide "Wu-stijlen" als Yang-stijl-varianten te beschouwen, hetgeen ze strikt genomen, gezien vanuit het vertrekpunt nl. Yang Lu-Chan, ook zijn. Niettemin worden tegenwoordig beide "Wu-stijlen', niet ten onrechte, als aparte stijlen beschouwd; het zij zo!

Het tweede misverstand, eveneens door You Tsung-Hwa de wereld in geholpen, betreft zijn oordeel over de kwaliteit van het tai chi chuan van Wu Kung-Yi, de zoon van Wu Chian-Chuan. Kung Yi's tai chi chuan zou van duidelijk minder kwaliteit zijn geweest dan dat van zijn vader. Op zijn minst voor wat betreft zijn martiale kwaliteit, die hij niet onder stoelen of banken placht te steken, was dat zeker niet het geval. Hij zocht vaak zelfs de confrontaties op met de autoriteiten op elk martiaal terrein en verloor nooit.Diezelfde martiale kwaliteit is er verantwoordelijk voor geweest, dat thans in Hong-Kong en grote delen van Zuid-Oost Azië de Wu-stijl de meest beoefende is. Bepaald befaamd is hij om het afwikkelen van uitdagingen in grote arena's (10 tot 20-duizend toeschouwers!). Een en ander is nog steeds stof voor anekdotes binnen de Wu-familie. Op zijn twintigste trouwens had hij al de leiding over de afdeling Martial-Arts van de toendertijd belangrijkste militaire academie van China: ook dat kwam niet nergens vandaan. Wel is het zo, dat Wu Kung-Yi, de langzame vorm van zijn vader naar eigen inzicht verder wijzigde en aanpaste.Met name verhoogde hij de stand in de langzame solo-vorm nog eens drastisch en maakte hij de bewegingspatronen heel klein en compact. Afgaande op het beschikbare foto-materiaal lijkt het er echter op, dat hij de ontwikkelingslijn die zijn vader inzette slechts op logische wijze dóórtrok tot aan de grens van het mogelijke en verantwoorde. Eenmaal in Hong-Kong beland echter, stond hij op gegeven moment voor de taak een systeem te ontwerpen dat het mogelijk moest maken om aan grote groepen mensen tegelijk les te geven, groepen van vaak honderden mensen. in die tijd ontwikkelde hij speciaal voor dat doel wat later de "een-twee-drie" les-methode of ook wel "square-form" is gaan heten.

Opgezet voor didactische doeleinden, was de methode uitsluitend bedoeld voor basis-vorm-onderricht. Het "verbondene" het "ronde" en het "vloeiende" moesten er in een later stadium in worden gebracht.

Natuurlijk haakten er mensen af voordat het zover was. Deze mensen zijn het vervolgens geweest die deze les-methode aan anderen doorgaven als ware het de authentieke solo-vorm van Wu Kung- Yi zelf, daarmee aanleiding gevend tot de soort van misverstanden als waarvan You Tsung-Hwa kennelijk een slachtoffer is geworden, en met hem velen die zijn boek gelezen hebben.

Deze les-vorm is door dit alles helaas dus wel een eigen leven gaan leiden, compleet met varianten en varianten op varianten. Een vergelijkbare "uitwaaiering", verwatering en versimpeling in varianten en varianten op varianten heeft trouwens ook in de Yang-stijl plaatsgevonden.

Op de ontwikkeling van het Wu-tai chi chuan in de Volksrepubliek, waar Wu Ying-Hua en Ma Yueh-Liang de erfenis van Wu Chian-Chuan beheerden en nog steeds beheren, heeft dit alles gelukkig geen invloed gehad. Daar werd en wordt het oorspronkelijke Wu-tai chi chuan van Wu Chian-Chuan onvervormd doorgegeven. Thans doet Ma Yiang Bao dat dus in europa, vanuit zijn woonplaats (Den Haag) in Nederland.